Over een korte en krachtige keten



Hoe we de keten kort willen houden en krachtig willen maken

Al meer dan een decennium trachten overheden, middenveldorganisaties, ecologisch geïnspireerde initiatieven, academici en belangenorganisaties de consument te overtuigen tot meer aankopen in de korte voedselketen. Vandaag lijkt het begrip -eindelijk- “trending”. 
De reeks aangegeven voordelen kan samengevat worden in 3 thema’s: een sociaal-economisch voordeel (voor de boer), een ecologisch voordeel (voor de samenleving) en een kwalitatief voordeel (voor de consument).
Maar wat betekent dat precies die korte keten? En ervaart iedereen deze voordelen ook? Zorgen ze naast gespreksstof ook voor actie?
Wat zijn de uitdagingen en welke rol wil superboerenmarkt Boerkoos daarin spelen?
Naar aanleiding van de week van de korte keten en '1 jaar Boerkoos' dook Boerkoos in het onderzoek, de cijfers, zijn ontstaansreden en tot slot in zijn pen.

Een vleugje nostalgie 
Kort samengevat is de korte keten een model waarbij rechtstreeks verkocht wordt aan de consument. Het aantal schakels tussen producent en consument bij de verkoop van producten moet zo klein mogelijk zijn. In de eerste plaats denk je daarbij aan land- of tuinbouwers, maar elke voedselproducent komt in aanmerking.

Dat klinkt eigenlijk zeer simpel en nostalgisch en dat is het ook. Pakweg 70 jaar geleden kon elke boer, hoe kleinschalig ook, nog aardig zijn boterham verdienen. Er was lokale afzet bij de plaatselijke kruidenier, op de hoeve, de markt of de vroegmarkt. Haast elk dorp had zijn brouwer. De melkboer melkte nog zijn eigen koeien. Er werd geslacht en verdeeld op de hoeve. Kortom, er was een grote kans tot zelfbeschikking en stabiliteit. De grotere boer, of herenboer, was vaak de grootste werkgever van het dorp, wat hem een plek in de kring van notabelen opleverde.  
Sindsdien is dat “goed boeren” een gezegde dat de boer zelf steeds minder toekomt. 
Vanaf de jaren 50 werd onze boeren een grootschalige productie voorgehouden. Opnieuw honger lijden was na de traumatische oorlogsjaren geen optie. Begrijpelijk, dus de boer sloeg de hand aan de ploeg.

Gedaan met de keuterboerkes
Het Europees landbouwbeleid teert ook vandaag nog op die schaalvergroting, industrialisatie en zware investeringen. Tegelijk werden alle marktbeschermende instrumenten overboord gegooid, zoals quota, invoerrestituties, interventie,… Zo werd overproductie in de hand gewerkt zonder dat de  boer garanties kreeg tegen verregaande globalisering en moordende internationale concurrentie. De toeleveringsbedrijven en verwerkers deden gouden zaken, terwijl de boer met de verliezen bleef zitten. Dan kwamen de veilingen en de supermarkten die met prijzenslagen inspeelden op het steeds uitdijende welvaartsgevoel van een middenklasse die ontdekte zich meer luxe te kunnen permitteren door te besparen op voeding. In 1950 had voeding een aandeel van 50 % in ons huishoudbudget. In 1973 25%. Vandaag is dat nog 12,5 %.

Boven het hoofd van onze boeren zakt daardoor al jaren een meedogenloos scherp zwaard van Damocles. De lage prijzen waarmee boeren hier en elders genoegen moeten nemen, zijn een rechtstreeks gevolg van de import -of de mogelijkheid tot import- van gelijkaardige producten aan extreem lage prijzen. Omdat ze in goedkopere omstandigheden geproduceerd zijn, of in een land waar er binnenlands onvoldoende afname voor is. 
Enkele voorbeelden van absurde situaties waartoe dit leidt:
Enkele weken geleden voerde Colruyt tijdelijke actie ter ondersteuning van onze Belgische peren. Door de oorlog in Oekraïne verloren onze peren één van hun grootste exportgebieden en legde de supermarktketen in promo opnieuw Belgische peren in de rekken, weliswaar nog steeds duurder voor de consument dan de peren uit Argentinië, Spanje of Nieuw-Zeeland waarmee de slogan “laagste prijs” kracht kan bijgezet worden.

Met de traktor naar Absurdistan
Voor groenten in de winkels gaat ongeveer 20 % van de consumentenprijs naar de boer. 80 % van de winstmarge is voorbehouden voor de verpakker/sorteerder, de veiling en uiteindelijk de retailer. 
Nog grotere winst is te halen voor de verwerkers. Met blanke preistelen, of reeds voorgesneden in ringetjes wordt gemikt op consumenten die niet zo goed raad weten met een hele bos prei. Die 'preitransformatie' blijkt uiterst lucratief: de bewerkte prei kan zomaar voor 2 of meer euro’s per kilo extra afgezet worden.

Voor varkensvlees bedroeg de gemiddelde veilingprijs vorig jaar ongeveer € 1,47 per kilo geslacht gewicht. Voor de boer is dat alweer brute pech, want die heeft om zijn kosten goed te maken minstens € 1,50 nodig. En zo kan je bij Lidl toch nog gehakt kopen aan € 5 euro de kg, terwijl de gemiddelde winkelprijs rond de € 10 per kg ligt. “Iedereen tevreden” luidt de slogan in het reclamespotje. 

Het meest hallucinante voorbeeld is wellicht dat van onze aardappelen. Een van ’s werelds grootste aardappelexporteurs zijn we en daar zijn we apetrots op. We voeren zelfs uit naar Peru, de bakermat van de aardappel. Maar na de afgelopen zomers bleken onze door droogte geteisterde aardappelen niet meer marktwaardig genoeg voor de export of verwerking en bleven ze met tienduizenden tonnen onverkocht bij de boer liggen. Voor veel boeren was ze terug op de akker uitkieperen en laten composteren voordeliger dan ze met verlies slijten. 
Enige tijd later ontving de boer 0,03 euro per kg. Je leest dat goed. De opkopende verpakker/sorteerder verdient hier al een tienvoud aan, in de supermarkt betaalde je  € 0,90 tot 1,5 per kg. Vandaag moet de aardappelboer het stellen met 0,17 euro per kilogram. De tussenschakels maken meer dan tachtig procent van de winkelprijs uit.
En toch blijven aardappelen uit Israël, Egypte of Bulgarije voor onze supermarkt nog voordeliger in de strijd om de laagste prijs. Ook voor de grote chipsproducenten met hun zogenaamde “typisch Belgische smaken” blijken die buitenlandse knollen steeds beter te passen.

De boer als meest kwetsbare schakel in de voedselketen
Omzetdalingen in alle landbouwsectoren, gaande van 3% in de akkerbouw tot 12% in de groenten en een stijging van de directe kosten met 2% tot 5 % zijn al jaren schering en inslag. Zij die ons voorzien van voedsel zijn geëvolueerd van naoorlogse helden tot paria’s, tot de meest kwetsbare schakel in de voedselketen. In enkele decennia van prijsmaker naar prijsnemer. Ze dragen alle risico's van onze voedselproductie, maar krijgen de prijsdruk van de hele keten op zich. 

En het kan nog erger. Boek IV ‘Marktpraktijken en consumentenbescherming’ van het Wetboek van economisch recht, verbiedt elke handelaar een goed met verlies te verkopen, behalve voor landbouwproducten. Zij mogen (moeten), met als centrale argumentering ‘voedseloverschot’ en ‘keiharde internationale concurrentie’ wel met verlies verkopen. Die boer die al die maanden vooraf evenveel productiekost heeft gekend en werkuren heeft gepresteerd. Werkuren die overigens nooit doorgerekend worden.

De voorbije 30 jaar is het gemiddelde brutoloon van een boer in ons land met geen enkel procent gestegen. Dat van alle andere werknemers is met 99% toegenomen. 
Die onhoudbare situatie weegt op de leefbaarheid van de landbouw. Steeds meer boeren geven er de brui aan en weinig jongeren kiezen voor een toekomst in de boerenstiel. In ons land is 1 op de 3 boeren de voorbije 10 jaar gestopt. 4 op de 10 boeren leven in armoede en hebben een inkomen van minder dan 1000 euro per maand. 1 op de 7 boeren heeft geen inkomen en produceert met verlies. In België ligt de gemiddelde leeftijd van boeren al op 55 jaar. Wereldwijd evolueert die naar 60 jaar. In Frankrijk plegen meer dan 600 boeren per jaar zelfmoord. In België worden hierover geen cijfers bijgehouden.

Eerlijke handel
Dé basisfilosofie van de korte keten is daarom de producent/boer die een eerlijke prijs kan vragen en krijgen voor zijn product.
Voor vele traditionele boeren is volledige transitie naar de korte keten onmogelijk, maar betekent het wel een extra centje. Een gemiddelde aardappeloogst van een aardappelteler per hectare is 50 ton. Wie 30 hectaren aardappelen heeft staan, krijgt onmogelijk 1500 ton patatten verkocht via louter een hoevewinkel of aardappelautomaat. 

Daarom wordt de korte keten vaker opgepikt door nieuwe, kleinschalige, vaak gemengde landbouwbedrijven. Boerkoos werkt bv. samen met enkele boeren die er echt hun levensdoel van hebben gemaakt om op een dag bv. geen enkele druppel melk meer aan de zuivelindustrie te moeten leveren. Alles hebben zij ingezet op volledige controle en uitvoering van de productieketen. Hun eigen, ambachtelijke zuivelproducten zijn het resultaat van een gedurfde en toekomstgerichte visie. 

Vooral voor vele nieuwe kleinschalige bio-boeren is de korte keten een evidentie. Zij hebben minder massaproductie waardoor ze vaak makkelijker lokale afzet vinden. Bovendien hebben ze vaak betere logistieke samenwerkingen met collega’s om efficiënter die afzet te kunnen volhouden. 
En toch, alhoewel de bio-ketenpioniers de principes van eerlijke en lokale handel hoog in het vaandel dragen, merken we vandaag in de supermarkten een bio-huismerken-prijzenoorlog die ook in deze sector druk op de boer uitoefent.


Ecologisch voordeel?
Naast sociale gevolgen heeft de evolutie naar een mondiale voedseleconomie ook gevolgen op ecologisch vlak. De uitstoot van onnodige voedselkilometers en het verarmen van biodiversiteit door grootschalige monocultuur zijn nefast voor het klimaat. 
Kleinschalige tuintelers, al dan niet bio, werken met veel variëteiten aan hoge teeltrotatie. Zij gebruiken minimaal of geen kunstmest en gaan verarming van de bodem tegen. Koop je bij hen een bussel prei dan heb je je een duurzaam voedingsproduct zonder voedselkilometers aangeschaft. 

Staat het voordeel van de weinige voedselkilometers in de korte keten in bovenstaand geval als een paal boven water, toch is het vaak voor discussie vatbaar. 
Akkoord, er wordt nogal wat voedsel rond gezeuld in vrachtwagens, vliegtuigen en containerschepen. (De verschillende ingrediënten van een industrieel geproduceerd potje Danone-yoghurt leggen samen enkele duizenden kilometers af). 
Maar tegelijk kan een stukje vlees van de lokale hoeveslager ook afkomstig zijn van een met overzeese soja bijgevoederd varken. Kleine producenten hebben immers minder ruimte en mogelijkheden om ook eigen voeder te telen.
Ten tweede mogen lokale producenten ook ambitie hebben en worden voedselkilometers daardoor een noodzakelijk kwaad. Neem nu een geitenboerderij die ooit begon met 10 geiten en thuisverkoop en vandaag is geëvolueerd naar een bedrijf met 100 geiten die via distributiekanalen levert aan winkels elders in het land. Deze allemaal rechtstreeks beleveren zou, naast onnodige voedselkilometers, immers economische zelfmoord betekenen. 
Om al deze redenen mag het argument van minder voedselkilometers wel aangehaald worden, maar blijft Boerkoos er toch voorzichtig mee in zijn communicatie.

Klant is koning?
De derde groep van voordelen van de korte keten wordt in de theoretische beschouwingen voorbehouden voor de consument. “De consument weet waar zijn voedsel vandaan komt, hij herbeleeft veilige, verse, gezonde, kwalitatieve voeding en herontdekt de landbouw”, staat te lezen in de literatuur.
Uit onderzoek blijkt dat 84% van de Vlamingen daar inderdaad belang aan hecht en de intentie heeft om meer duurzame voedingsaankopen te doen. 67 % beweert dat nu al te doen en het nog vaker te zullen doen.
De Vlaming is dus klaar voor een heuse voedselrevolutie zou je denken.

En toch blijkt uit de marktcijfers van de korte keten een minder groot enthousiasme dan men uit consumentenbevragingen zou verwachten. De laatste jaren is het marktaandeel van grote en kleine supermarkten immers doorgegroeid naar 98 %. En bovendien kapen de marketingafdelingen van de grote ketens de claims van eerlijk en lokaal almaar meer weg voor de ogen van allerlei nieuwe korte keten-initiatieven.  
Die korte keten behaalde haar record-marktaandeel in 2020 (na de lockdown) met 1% en is vandaag teruggezakt naar een gebruikelijke 0,8 %. 

Klant is keizer
“Waarom zijn de intenties nog zo ver verwijderd van de actie?”, vroegen de oprichters van Boerkoos zich af. En zo ontstond ons project. 
Volgens Boerkoos is het antwoord op deze vraag dat een meerderheid van de consumenten de aankoop van een korte ketenproduct gepaard wenst met meer dan morele, academische voordelen. Het zijn namelijk overwegend praktische voordelen uit ons jachtige dagelijkse leven die maken wat en waar we ons voedingsproduct aankopen. En laat dat nu net de voordelen zijn die de supermarkten  bieden.

De consument is verknocht aan de nabijheid (70 % wil niet meer dan 5 km afstand afleggen), het ruime aanbod en de efficiëntie (parking, indeling, ruime openingstijden, snel winkelen,…) , aanbiedingen en goedkope producten, versheid door volume en sfeer van de supermarkt.
Prijs blijft daarbij van doorslaggevend belang. Voor de meerderheid van consumenten moeten alle praktische voorwaarden maximaal zijn ingevuld vooraleer men de bereidheid een hogere prijs te betalen voor een kwalitatief, lokaal product in actie omzet. 
Het valt ook op dat onbereide hoeveproducten zoals aardappelen of seizoensproducten zoals aardbeien, asperges of grondwitloof het best scoren in de korte keten. Niet toevallig producten die dikwijls goedkoper zijn op de hoeve dan in de supermarkt.  
Bereide (hoeve)producten zijn minstens gelijk of soms duurder dan in de supermarkt, eerder op het niveau van de speciaalzaak.  Als de consument daarvoor speciaal naar al die hoeves of producenten moet omrijden, gaat de zucht naar gemak de bovenhand nemen. De supermarkten spelen dat vandaag ook maar al te goed uit. Korte keten is “trending” en plots lijkt het wel alsof elke supermarkt nu plots de boeren ondersteunt en lokale en korte-ketenproducten in de armen sluit. 


En dan is er nog wat in de sociologie de “illusie van de negatieve voetafdruk” wordt genoemd, wat ook de lage aankoopfrequenties in de korte keten kan verklaren. De consument die zichzelf tot verantwoord, sociaal of duurzaam uitroept, omdat hij eenmalig of zeer sporadisch een korte ketenproduct koopt. Vaak worden streek- of hoeveproducten dan ook gekocht in een sfeer van vakantie of onthaasting, zoals bv. de plotse interesse voor lokale hoevewinkels tijdens de coronalockdown. Een goede zaak, dat zeker, maar zonder grote blijvende impact.

Alle korte ketenproducten onder één dak 
Boerkoos kwam tot de conclusie de ambachtelijke streek- en hoeveproducten samen te brengen in één winkel. Een vlot bereikbare winkel, met parkeergelegenheid, waar je in een handomdraai honderden kwalitatieve lokale en hoeveproducten samen kan ontdekken. Dit samen met alle andere voedingswaren die je nodig hebt voor je weekmenu, evenwel bio en/of fair trade om het concept consequent te versterken. Een brug bouwen tussen de werkelijke voordelen voor de boer en de theoretische voordelen voor de consument, dat is de Boerkoos-visie.
Inspiratie daartoe vonden we vooral in Wallonië en Frankrijk waar de boeren meer coöperatieve samenwerkingen hebben opgericht en samen boerensupermarkten uitbaten. 

“Strikt genomen is Boerkoos dus geen korte keten”, horen we jou denken? 
Dat klopt. Boerkoos verzamelt de lokale en hoeveproducten uit de streek voor jou. Dat is wat we doen. 

Eerlijk duurt het langst
Waarom doet Boerkoos dan mee aan de ‘Week van de korte keten’, of is onze winkel geregistreerd op het korte keten-platform ‘Recht van bij de boer’? 
Wel, omdat wat we doen, is ingegeven door onze missie onze lokale boeren die gekozen hebben voor de korte keten, en dus voor een duurzame en sociale transitie, zo maximaal mogelijk te ondersteunen. Landbouwers die onafhankelijkheid en stabiliteit kunnen verhogen, kunnen ook oprecht investeren in duurzaamheid. 
De korte keten van Boerkoos is geen marketingtruc of geen “local-washing” zoals in het voorbeeld van de lokale peren hierboven. 
Meer dan 1100 van de 1600 producten die je in onze winkel aantreft, worden rechtstreeks bij de boer aangekocht. Bij de keuze van onze leverancier kiezen wij niet noodzakelijk voor de goedkoopste, maar kijken we naar nabijheid, ambacht en kwaliteit en natuurlijk ook naar logistieke efficiëntie. 
We onderhandelen niet over de prijs. De boer zet zijn prijs. In de afdeling groeten en fruit gaat gemiddeld 60 % van de winkelprijs meteen naar de boer, bijna 3 x meer als in de “lange keten”. In onze zuivelproducten bedraagt de marge voor de winkelwerking ongeveer 30%, bij hoevevlees situeert het zich rond de 20 %. Met deze 'marges' kan Boerkoos zijn vaste kosten betalen (lonen en patronale bijdragen, huur, elektriciteit, water, afbetalingen, (onderhouds)materialen, verpakkingen, verzekeringen, onderhoud, vergunningen, promotieacties, transport, ICT, boekhouding, ...) 

Vertel het voort
Het Boerkoosteam hoopt oprecht dat je al van ons initiatief hebt kunnen genieten. Vertel het voort en aarzel niet om ons suggesties te geven die het voor jou nog aangenamer kunnen maken.
Wij zijn alleszins vastberaden om door samenwerking met andere korte keten-initiatieven nog meer lokale, waardevolle (hoeve)producten uit de regio te kunnen aanbieden.

 

Het Boerkoosteam



Johan Van Lier - 19-05-2022